Iedereen breedband: feit of fictie?

Leestijd: 3 minuten

‘Breedband voor iedereen en overal’. Zo klinkt de boodschap van de EU-richtlijn voor het verlagen van de aanlegkosten van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (richtlijn 2014/61/EU van 15 mei 2014). Doelstelling is dat elk EU-huishouden in 2020 toegang heeft tot breedbandinternet van minimaal 30 Mbps. En dat de helft van alle huishoudens toegang heeft tot internet met snelheden vanaf 100 Mbps.

Wat een mooie ambitie. Maar hoe pakt dit uit in de praktijk? En geldt dat ook voor de buitengebieden?

Betekenis voor de telecombedrijven

Implementatie van de richtlijn in nationale wet- en regelgeving, zoals de Telecommunicatiewet, moet grotendeels op 1 januari 2016 zijn gebeurd. De richtlijn heeft vier speerpunten om de doelstelling te behalen:

  1. Verbetering van het delen van faciliteiten van andere netwerkbeheerders, zoals energie en transport.
  2. Efficiënte coördinatie van werkzaamheden en voorkomen van dubbel graven.
  3. Sneller en eenvoudiger toekenning van vergunningen.
  4. Vooraanleg bij gebouwen, meergezinswoningen en grote renovaties.

Er zijn legio kansen om de innovatieve mogelijkheden van internet te benutten. Maar nog niet iedereen heeft een snelle (vaste) internetverbinding. Minister Kamp van Economische Zaken geeft aan dat het gaat om circa 330.000 huishoudens en bedrijven in vooral de buitengebieden. Hij zegt dat verbindingen met mobiele 4G-netwerken ook geen structurele oplossing zijn voor snel internet op vaste locaties in deze gebieden. Hiervoor moet met name gekeken worden naar de aanleg van vaste netwerken of ‘vaste draadloze’ netwerken – ook wel Wireless Local Loop -, of een combinatie van beide. Als een universele dienstverplichting zou breedbandinternet beschikbaar en betaalbaar zijn voor iedere eindgebruiker ongeacht diens locatie. In een dergelijke basisvoorziening ziet de minister nu geen heil.

Faciliterende rol

Om de uitrol van snel internet in buitengebieden te bevorderen, kiest de minister voor een faciliterende rol. Er wordt gewerkt aan de implementatie van de richtlijn om de aanlegkosten van snel internet, ook in het buitengebied, te verlagen. Aanbieders mogen – onder redelijke voorwaarden – de bestaande fysieke infrastructuur van andere netwerkbeheerders gebruiken. Ook zijn er maatregelen om de coördinatie van werkzaamheden te stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan gezamenlijke aanleg met andere netwerkbeheerders.

Verder wordt voorgesteld om de gedoogplicht voor kabels en mantelbuizen die (nog) niet in gebruik zijn genomen, te verruimen. Zodat wordt voorkomen dat voor netwerken die worden aangelegd voor toekomstig gebruik precariobelasting moet worden betaald. Of dat de netwerken moeten worden verwijderd als ze nog niet in gebruik zijn genomen.

Ook wordt met diverse partijen gepraat over mogelijkheden van Europese financieringsinitiatieven voor Nederlandse projecten. Door het beschikbaar stellen van frequentieruimte wordt de toepassing van vaste draadloze verbindingsmogelijkheden via de bestemming van frequentiebanden ondersteund. Lokale initiatiefnemers krijgen goede informatie voor het realiseren van snel internet in het buitengebied, zodat zij kunnen profiteren van elkaars kennis en ervaringen.

Feit of fictie?

Er wordt dus tijd en aandacht besteed aan het faciliteren van de uitrol van breedband. Nu dus nog voor zo’n 330.000 adressen vooral in het buitengebied.

De praktijk is echter weerbarstig. In de meeste gevallen zal de aanleg van breedbandnetwerken in het buitengebied nog veel te duur blijven. Ook na aanpassing van wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld omdat een aantal van de voorgenomen kostenbeperkende maatregelen in meer of mindere mate al in de Telecommunicatiewet zijn geregeld. Maar ook omdat deze in de praktijk al – incidenteel – gebeuren.

In de Telecommunicatiewet is medegebruik tussen aanbieders onderling opgenomen. Er komt nu een regeling dat zij voor de aanleg van hun infrastructuur ook andere netwerken mogen gebruiken. Denk aan glasvezelaanleg in riolen. Maar dat gebeurt dus al, zoals je kan zien in de video. En dat geldt ook voor het mee leggen van telecominfrastructuur met werken van andere netwerkbeheerders. Dat vind ik slim graven.

Een Europese injectie of een vorm van – financiële – samenwerking lijken evident om de dingen gedaan te krijgen. Breedband initiatieven zijn nu vooral een zaak van de markt. En de praktijk wijst uit dat het businessmodel van telecombedrijven leidend is. Een marktpartij zal niet aanleggen, ook niet gezamenlijk of via medegebruik, als er niet voldoende burgers en ondernemers meedoen om zijn investering op termijn terug te verdienen. Logisch toch?

Er worden dan ook steeds meer lokale initiatieven door burgers en bedrijven opgestart, al dan niet in samenwerking met provincie en gemeente. Deze initiatieven zijn hot en happening, dus adequate voorlichting – mét voors en tegens – aan burgers en ondernemers is noodzakelijk.

Straks overal breedband?

Is in 2020 breedband ook gerealiseerd in de buitengebieden? In dit stadium denk ik eerder fictie dan feit. Maar wie weet zijn er verrassende (technische) oplossingen nabij.

Hoe kijk jij aan tegen (verdere) uitrol van breedband in het buitengebied? Is er toekomst voor met name glasvezel? Laat het mij weten.

 

 

posted by: Cheryl
date: September, 2015
dit artikel is eerder gepubliceerd op www.ntcs.nl

Scroll naar boven